cultuur in amsterdam oost watergraafsmeer
Oogst van het blauwe uur 1
kunstenaarsCafe au lait 1:Anna Lont, Anneke Scholtens, Jose Vicente, Shawky Ezzat, Joke van Vlijmen en Jos den Dikken
foto's: Joke van Vlijmen
foto's: Joke van Vlijmen
Op de grens tussen licht en schemer trekken we het Oosterpark in om beelden te vangen met pen, potlood en camera. We willen geen flintertje missen van deze wonderlijke overgang van de dag in de nacht. Wanneer gebeurt het? En hoe? Is er één speciaal moment aan te wijzen? Of is het een opeenvolging van steeds donkerder wordende minuten, waarbij het echte moment je ontgaat? Ik voel me zenuwachtig, bang dat uitgerekend deze dag geen karakteristiek blauw uur zal hebben.


En áls het komt, hoe zal ik me er dan onder voelen? Naar verluidt worden sommige mensen rond dit tijdstip melancholiek. Doet het langzaam dichtgaan van de dag hen misschien denken aan hun levenseinde? Of is het prozaïscher? Is het vooral het moment om onder ogen te zien dat ook deze dag weer niet bracht waar we op hoopten: opslag, meer klanten, een leuke collega, zon, liefde. Maar dat laatste kan nog komen natuurlijk.


Bij het Slavenmonument tref ik drie mensen op drie verschillende bankjes. Geen van hen lijkt zich bewust van het op handen zijnde verschijnsel. Ze zitten erbij alsof ze verwachten dat het eeuwig dag zal blijven. Alsof er geen blauw uur bestaat!
Twee van hen zitten onderuit gezakt rond te kijken, een derde leest een krantje. Ik moet me inhouden om niet naar ze toe te gaan en ze op de hoogte te brengen van de veranderingen die komen gaan. Het blauwe uur, ja. Heeft u daar nooit van gehoord? Dat is niet zo mooi. Maar blijft u rustig zitten en kíjkt u vooral. U zult zien hoe het groen in het park steeds verder verdonkert, hoe mensen in blauwe pakken oplichten in de duisternis alsof ze deel uitmaken van een geheim genootschap. Het gilde der blauwen. Ik heb het ook maar van horen zeggen, maar het schijnt bijzonder te zijn.


Ik laat de mensen hun mijmeringen en hun krant. Nieuwsgierig sta ik op en loop naar het grote middenveld om het zelf allemaal mee te maken. Hier tref ik dezelfde argeloosheid. Volleyballers die van geen wijken weten, voetballende jongeren, die gemoedelijk overspelen alsof de avond nog vér weg is, her en der groepjes pratende mensen, staand en zittend op het gras.


Het licht is nu al anders dan overdag. De natuur lijkt trager te bewegen. Langs de rand van het veld staat een rij machtige bomen onbeweeglijk toe te kijken. Woorden als eeuwigheid en tijdloosheid dringen zich op. Wat is voor deze reuzen het dag- en nachtritme vergeleken bij de wisseling der seizoenen, vergeleken bij het verglijden van de jaren? Hun robuuste stammen wekken vertrouwen in deze prille schemer: zo lang zij daar zo stil staan zal het wel pluis zijn hier. Wat kan ons onder hun toezicht overkomen? Als je goed kijkt, zie je dat ze naar je knikken.




Opzij van het veld, in een uitloper van de vijver, zijn de eenden de dag aan het evalueren. Overdag lijken ze een losgeslagen zootje, dat doelloos heen en weer zwemt en maar wat rond kwaakt, maar tegen de avond kruipen ze schielijk bij elkaar. Er wordt nog wel gesnaterd, maar ordelijk, om de beurt, alsof ze beseffen dat ze op moeten passen. De grote zwarte nacht komt er immers aan en dan kun je maar beter met z’n allen zijn.

Een renner draait gauw nog wat rondjes. Haar blonde paardenstaart danst fanatiek op en neer.
Vlug, er is nog wat dag over en ook dat laatste stukje moet benut worden. Vooral dat laatste.

Zelfs het fonteintje is moe. Het water spuit er niet meer in een vrolijk straaltje uit, maar lekt aan de voet traag weg in het zand.



In het park ruikt het steeds frisser en langzaamaan wordt het killer. De eenden maken zich nu echt op voor de nacht. Vanuit het donkere water klinkt alleen nog hier en daar zacht klokkend gebadder. Vleugels worden uitgeschud. Een enkeling waagt zich nog op de kant en laat zien hoe mooi zijn oranje poten oplichten in dit uur.

Ook op het veld gaan sommige kleuren wanhopig de strijd aan met de nacht door zich extra op de voorgrond te dringen. Wij geven ons nog niet gewonnen, lijken ze te zeggen. Rode en oranje T-shirts bieden tegen elkaar op. Blauw is het sterkst.



Terwijl het park zich overgeeft aan de invallende duisternis, beantwoordt haar omgeving deze aanval met kunstlicht. De straatverlichting is aangegaan, het ziekenhuis kijkt door grote, gele vierkanten de nacht in. Een hel verlichte tram rammelt door de bocht. Het is een gemoedelijk hobbelende keten van etalages, waarin de passagiers zich tonen aan het publiek. Zelf denken ze dat ze naar buiten kijken.

Intussen houden de volleyballers moedig stand. Doordat er minder gepraat en gelachen wordt, zijn hun doffe klappen goed te horen. Wordt het spel serieuzer nu de laatste minuten zijn ingegaan? De groepjes praters zijn naar huis en ook de voetballers zijn gestopt. Op het gras blijven twee eenzame bierflessen achter, hun donkere silhouetten stram in het gelid. Het dringt nog niet tot ze door dat ze hun status als doelpaal alweer verruild hebben voor die van fles.

De geluiden in het park worden zachter. Er klinken geen schreeuwen meer, gesprekken worden op gedempte toon gevoerd. Niet alleen de eenden hebben ontzag voor de nacht.


En dan is er de maan. Opeens verschijnt hij boven het veld, dat nu aardedonker is. Even blijft hij haken achter de hoogste sprieten van de bomen, maar al gauw schudt hij zich los en schuift verder omhoog. Stil en helder hangt hij daar. Het blauwe uur is voorbij: de nacht is aangebroken.


tekst: Anneke scholtens